OPEN dond-zondag 10-17 uur en daar buiten op afspraak: BEL: +31 6 3808 3150

Geschiedenis

"Schets van de oorsprong en geschiedenis der aloude Heerlijkheid Eck en Wiel"

Wie had dat ooit gedacht? Stel je eens voor. Bart komt een leuke vrouw tegen en krijgt van zijn schoonvader een heel dorp, inclusief kerk, als bruidschat. Even later is hij de eerste Heer van Eck, met alle "hooge en lage" Heerlijkheden die daarbij horen. Dat waren nog eens tijden. We schrijven 1288.

Dankzij de geschiedschrijving van dorpspredikant Jacobus Anspach is er zeer veel bekend over hoe het in 1288 allemaal begon - van de eerste Heer van Eck, Bartholt van Pantaleon (geboren 1224), via de 19e Heer van Eck, Adam van Delen tot aan de laatste en 27e ambtsvrouwe van Eck en Wiel, Elisabeth Mary baronesse van Reede-Ginkel (geboren 1821).

Tot het einde van het Ancien Régime (1795) maakten in sommige streken de dorpen bestuurlijk deel uit van een heerlijkheid. De heerlijkheden waren een uitvloeisel van het leenstelsel, met name het in leen geven van de rechtsmacht door de vorst. Deze gaf zijn bestuurlijk en juridisch recht in leen aan een leenman, vaak als beloning aan een militaire of politieke medestander of vertrouweling van de machthebber. De heer beschikte dus meestal over geheel of een deel van het overstijgend koninklijk gezag, bijvoorbeeld als graaf of hertog.

Zo ook bij de Heerlijkheid Eck en Wiel waarbij de Gelderse Graaf Reinald I in 1288 de buurtschappen Eck en Wiel verhied tot een vrije Heerlijkheid met hoge en lage rechten met Bartholt van Pantaleon als eerste Heer van Eck. De Heerlijkheid Eck en Wiel was in de Middeleeuwen een zelfstandig gebied met eigen wetten en rechtspraak. Het bezit van een heerlijkheid is iets anders dan het bezit van grond. Het bezit van een heerlijkheid gaf de eigenaar slechts bepaalde rechten. Met 'heerlijkheid' werd dan het gebied aangeduid waar die rechten betrekking op hadden. Binnen de heerlijkheid was de heer gerechtigd om lokale overheidsdienaren en gezagsdragers (zoals een meier, baljuw of schout) te benoemen. Met name het benoemen van deze ambtenaar (een soort burgemeester, politiecommissaris en kantonrechter in één persoon verenigd) gold als een belangrijk recht, aangezien dit inkomsten (uit rechtspleging en boetes) met zich meebracht. Op zich had de heer het recht zelf als meier of schout op te treden, maar veelal lieten de heren zich vertegenwoordigen door een door hen benoemde schout. Door de controle over het schoutsambt en de lokale rechtspraak, kon de heer zich in 'zijn' heerlijkheid als een kleine potentaat gedragen.

De zware geldboeten en lijfstraffen vielen onder de hogere jurisdictie die normaal door grafelijke of hertogelijke ambtenaren werd waargenomen (hoofdschout, hoofdmeier, drossaard, amman), maar in het geval van de Heerlijkheid Eck en Wiel dus door de Heer van Eck werden voltrokken. De Heer van Eck bezat ook het recht om lijfstraffen uit te delen en zelfs het halsrecht, het recht om misdadigers ter dood te veroordelen en te laten executeren. Zo zouden in de Wielseweg (de westgrens van de Heerlijkheid Eck en Wiel) vroeger nog galgen hebben gestaan om straffen te voltrekken.

Aan een hoge heerlijkheid waren daarnaast ook nog de rechten verbonden met betrekking tot jacht en visserij, het molenrecht en de benoeming van dragers van openbare ambten. Een belangrijke bron van inkomsten was het tiendrecht.

De heerlijkheden werden in de Nederlanden opgeheven na de Franse inval van 1795. Ze werden in Nederland afgeschaft door de Bataafse Staatsregeling van 1798. Enkele heerlijke rechten als het jachtrecht en visrecht werden na de Franse periode hersteld als zakelijk recht. Het overgrote deel van die rechten, met name de bevoegdheid om plaatselijke bestuurders (mee) aan te duiden, verdween met de Belgische Grondwet van 1830 en met de herziene Nederlandse Grondwet van 1848. De meeste bestuurlijke functies gingen over op de gemeente en werden geregeld met de nieuwe gemeentewet. De rechterlijke macht werd voortaan door de landelijke overheid geregeld. Het jaar 1923 markeert formeel het einde van de heerlijkheid, omdat in dat jaar door de Jachtwet de laatste zakelijke rechten, voortgekomen uit het fenomeen 'heerlijkheid', werden afgeschaft. Personen die zich nadien 'heer van...' noemden, baseerden dat doorgaans op het bezit van een kasteel of havezate. Strikt genomen waren zij echter eenvoudigweg 'kasteeleigenaar' of 'kasteelheer'.

Een groot deel van de historie van de Heerlijkheid Eck en Wiel is nog te beleven via de wandelroute over de Heerlijkheid Eck en Wiel en het naastgelegen Huis te Wiel. Zo kom je vanaf de Proeverij na een wandeling door de vroegere boomgaard langs de oude slotgracht van Huis te Wiel en sluit je de wandeling af door achter het oude rentmeestershuis terug te lopen naar de Proeverij. De wandelroute beslaat tussen de 2 en 3km door ruim 12 hectare met allerlei typen natuur, door boomgaarden en langs de Rijnbandijk.

Voor de liefhebber nog een uitgebreidere geschiedenis van de Heerlijkheid Eck en Wiel.